Home
Wittebrug
De Witte Brug
Wittebrugpark
Wandelingen
Varia

Bijlagen

 

De Tweede Wereldoorlog

 

Eu 1933-1938 NL
Eu 1939 NL
Eu 1940 NL
  mei 1940 NL
Eu 1941 NL
Eu 1942 NL
Eu 1943 NL
Eu 1944 NL
Eu 1945 NL
wittebrugpark
1940-1945

 

 

 

Jan Borgman:

Het Wittebrugpark in de Tweede Wereldoorlog

 

Attentie:

Relevante Foto's uit de bezettingsjaren, betrekking hebbend op het Wittebrugpark, zijn niet gevonden. In de enorme online fotoverzameling van het Haags Gemeentearchief is slechts een tiental weinig relevante foto's uit de eerste helft van de bezettingsjaren aanwezig.

Daarom deze herhaalde oproep: wie kan helpen met interessante foto's van het Wittebrugpark uit de bezettingsjaren? Kijk uw oude fotoalbums er eens op na! Gaarne een berichtje aan de webmaster.


Het Wittebrugpark, 1939-1945.

De Tweede Wereldoorlog was voor het doorgaans zo rustige Wittebrugpark een bijzondere periode die op deze webpagina nogmaals in het zoeklicht wordt gevangen. 'Nogmaals': elders op deze website zijn gebeurtenissen uit de bezettingsjaren in Nederland, Den Haag en Scheveningen waar mogelijk in verband gebracht met de situatie in het Wittebrugpark. Teneinde doublures te vermijden en de context in beeld te houden wordt daarom op deze pagina veelvuldig verwezen naar andere pagina's op deze website.

 

1939: het Venlo-incident.

1 september 1939 begon de Tweede Wereldoorlog met de Duitse inval in Polen, gevolgd door de oorlogsverklaringen van Engeland en Frankrijk. Zou Nederland, net als in de Eerste Wereldoorlog van 1914-1918, er buiten kunnen blijven? Daarvoor zou in elk geval een strikte neutraliteitspolitiek nodig zijn die Hitler geen ruimte zou geven een aanleiding te vinden om ons land binnen te vallen.

 


HGA-F-50459, opname uit 1987 van Nieuwe Parklaan 57
Collectie Haags Gemeentearchief
 

In dit verband is een gewelddadig incident op 9 november 1939 bij Venlo van belang: hier werden twee medewerkers van de Britse spionagedienst Secret Intelligence Service (SIS), Stevens en Payne Best, door Duitse Abwehr agenten in een val gelokt en gekidnapt, samen met een Nederlandse veiligheidsagent die daarbij het leven verloor. Major Stevens was het hoofd van het Passport Control Office, gevestigd aan de Nieuwe Parklaan 57 op de hoek met de Van Lennepweg (deze villa, naast Villa Ninni, is inmiddels vervangen door een appartementengebouw).

Het Passport Control Office was een dekmantel voor activiteiten van SIS in Nederland. E.e.a. was in diplomatieke kringen vrij algemeen bekend; ook bij de Duitse Abwehr (contraspionage) die het komen en gaan rond dit pand met een filmcamera bespioneerde. L. de Jong geeft in deel 2 van 'Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog' een uitvoerige beschrijving van het Venlo incident. Nog veel meer details zijn te vinden op het internet, bijv. hier.

Het Venlo incident bracht de Nederlandse regering uiteraard in grote verlegenheid. Hitler hield zich muisstil tot 10 mei 1940 toen 'Venlo' een opvallende plaats bleek te hebben in het dossier waarmee de Duitse inval werd gerechtvaardigd.

 

De Meidagen van 1940.

De snelle verovering van Den Haag was een belangrijk onderdeel van de Duitse overval. De verovering van het regeringscentrum was een gewaagd speerpunt in de Duitse strategie. Bombardementen in de vroege ochtend van 10 mei op de nabije regionale vliegvelden, gevolgd door grootschalige luchtlandingen, moesten het pad effenen voor de gevangenneming van de Koningin en de regering die vervolgens opdracht zouden moeten geven de wapens neer te leggen. Boven en rond Den Haag wemelde het dan ook van Duitse vliegtuigen. Maar wellicht werden de bewoners van het Wittebrugpark vooral wakker geschrikt door het bombardement op de Nieuwe Alexanderkazerne aan de Van Alkemadelaan en het kamp Waalsdorp. Hier werden de Nederlandse militairen in hun slaap verrast; daarbij vielen bijna 60 doden.

Om 8 uur die ochtend las de nieuwslezer van het ANP een proclamatie voor van de Koningin. Nauwelijks een uur later passeerde de minister van Buitenlandse Zaken, Van Kleffens, het Wittebrugpark, op weg naar het strand vanwaar een watervliegtuig hem naar Engeland bracht. Daarna bleef het stil in het Wittebrugpark tot de capitulatie op 15 mei 1940 toen de eerste Duitse troepen zich vertoonden, op weg naar Scheveningen.

 

De Jodenvervolging.

Na Amsterdam had Den Haag de grootste concentratie Joden in Nederland: ten tijde van de capitulatie in 1940 ging het om 17.000 Joodse inwoners waarvan ongeveer 2000 woonden in het welgestelde Belgisch Park (B. van der Boom, 1995).

De Jodenvervolging begon zich al in september 1940 te manifesteren toen niet-Nederlandse vreemdelingen (overwegend gevluchte Duitse Joden) uit de kuststreek (waaronder geheel Den Haag) bevel kregen te verhuizen naar landinwaarts gelegen locaties. Dit blijkt o.a. uit de circulaire-brief van de Haagse hoofdcommissaris van politie N.G. v.d. Mey, gedateerd 5 september 1940 en gericht aan de Haagse dienstbode Ester Kopel-Rieger waarin ze zonder opgaaf van redenen wordt gesommeerd de gemeente uiterlijk 9 september te verlaten. Voorts wordt haar de toegang verboden tot een groot aantal met name genoemde gemeenten. De circulaire-brief is bewaard gebleven en is op het internet te lezen als document nummer 00001047 van het Joods Historisch Museum. Ester Kopel-Rieger zal uiteindelijk, na enige omzwervingen, op 11 februari 1944 sterven in het vernietigingskamp Auschwitz.

De meeste Nederlandse Joden in de kuststreek bleven voorlopig in hun woningen en kregen daar te maken met het complex escalerende anti-joodse maatregelen in 1941 en 1942, voorafgaand aan de deportaties naar de vernietigingskampen in 1942 en 1943.

De deportaties van de Haagse Joden stonden onder rechtstreekse regie van het Judenreferat dat in het 'complex Windekind' was gevestigd.

Wie waren de gedeporteerde Joden die indertijd woonden in het Wittebrugpark? Het databestand van het 'Digitaal Monument Joodse Gemeenschap in Nederland' helpt ons op weg. Dit databestand bevat namen en adressen (naar de situatie van 1941 of 1942) van Joden die de holocaust niet hebben overleefd. De volgende aanknopingspunten werden gevonden:

'Badhuisweg', 48 vermeldingen
waarvan 1 binnen het Wittebrugpark:
Edith Henriette Fuchs, Badhuisweg 167
overleden Auschwitz, 24 augustus 1942, 45 jaar

'Nieuwe Parklaan', 14 vermeldingen
waarvan geen binnen het Wittebrugpark.

'Van Lennepweg', 3 vermeldingen:
Emanuel Drilsma, Van Lennepweg 9; groothandelaar
overleden Auschwitz, 17 september 1942, 62 jaar
Esther Drilsma-Hakkert, Van Lennepweg 9
overleden Auschwitz, 17 september 1942, 70 jaar
Roza Gonda Drilsma, Van Lennepweg 9
overleden Auschwitz, 9 november 1942, 35 jaar

'Wagenaarweg', 1 vermelding:
Bertha van der Hoek-Swaab, Wagenaarweg 16; dienstmeisje
overleden Auschwitz, 5 november 1942, 40 jaar

'Borweg', geen vermeldingen

Om uiteenlopende redenen is de informatie in het Joods Monument (JM) ontoereikend om daarmee een representatief beeld te schetsen van de situatie van de Joden in het Wittebrugpark:
- JM richt zich met name op de Joden die de oorlog niet hebben overleefd. Met een voorbeeld, betrekking hebbend op een situatie in het Belgisch Park, kan dit worden toegelicht. De bijna tweejarige David Weinreb, Hasseltsestraat 70 (situatie april 1942) die op 27 april 1943 in Westerbork na een ziekte overleed wordt in JM vermeld. De vader (de omstreden Friedrich Weinreb), de moeder en twee andere Weinreb kinderen overleefden de oorlog als onderduikers en worden in JM niet met name genoemd.
- Vermeldingen in JM beperken zich tot een momentopname van officiële adressen in 1941 of 1942. Bijgevolg worden buitenlandse Joden -die de kuststrook al in september 1940 moesten verlaten- niet met hun toenmalige adressen in het Wittebrugpark vermeld. Dit zal de reden zijn waarom Alfred en Eva Schnell niet in JM worden gevonden als bewoners van Nieuwe Parklaan 5 maar als bewoners van Kapelweg 108 in Amersfoort, 'naar de situatie van juni 1941'.

Het voorbeeld van Alfred en Eva Schnell illustreert dat andere bronnen veelal nodig zijn om het beperkte beeld van JM aan te vullen. In het geval van Alfred en Eva Schnell is uitvoerig materiaal te vinden op de website hubertnet.nl. Uit het beschikbare materiaal valt het volgende beeld te reconstrueren:

Het Joodse echtpaar Schnell (chemicus en onderwijzeres) woonde vanaf oktober 1938 op het adres Nieuwe Parklaan 5 alvorens uit te wijken naar het adres Pieter van den Zandestraat 14. Hier bleven ze maar enkele maanden; in december 1940 verhuisden de Schnell's naar Amersfoort, wellicht om dezelfde reden als waarom het gezin van Myrtil Frank in september 1940 van Scheveningen naar Hilversum verhuisde: buitenlandse Joden (meestal vluchtelingen uit Duitsland) moesten al in de herfst van 1940 de kuststreek verlaten.

In het voorjaar van 1943 doken de Schnell's onder op een boerderij in Oldebroek waar ze op 3 oktober 1944 werden gearresteerd tijdens een drijfjacht op onderduikers die zich hadden onttrokken aan de 'Arbeitseinsatz'. Ze werden met vier andere onderduikers op 4 oktober 1944 in het geheim geëxecuteerd in het park 'Engelse Werk' bij Zwolle en ter plekke begraven in een door henzelf gedolven graf.

Het werd niet hun laatste rustplaats. In februari 1945 (de bevrijding naderde) werd het graf ontdekt en de SD besloot dat de sporen van de onreglementaire moordpartij in Zwolle definitief moesten verdwijnen. De lichamen werden vervoerd naar Westerbork waar ze in het kampcrematorium zouden worden verbrand. Ter plaatse bleek echter dat er geen brandstof beschikbaar was voor de verbrandingsoven, waarna de lichamen op de hei bij Westerbork opnieuw werden begraven. Kort na de bevrijding werd ook dit graf ontdekt waarna een definitieve teraardebestelling op de begraafplaats van Westerbork plaats vond.

 

Het Windekind-complex.

Villa Windekind, Nieuwe Parklaan 76, en de naastgelegen dubbele villa met de huisnummers 74 en 72 waren tijdens de bezettingsjaren het centrum waar de deportatie van de Haagse Joden werd geregisseerd. De drie panden samen worden op deze website het Windekind-complex genoemd.

Villa Windekind was het gespecialiseerde politiebureau van de Sicherheitspolizei waarin de opsporing en het verhoor van ondergedoken Joden en hun helpers waren geconcentreerd. Bij de verhoren door de 'Sachbearbeiter' ging het veelal ruw toe; niet-meewerkende verdachten werden in de folterkamers in de onderbouw van Windekind zwaar mishandeld.

De naastliggende dubbele villa Nieuwe Parklaan 72 en 74 was het domein van de administratie waar het ophalen van de Joden (veelal uitgevoerd door de Gemeentepolitie) en de afvoer naar het doorgangskamp Westerbork werden georganiseerd. Hier bevond zich de cartotheek met de namen en adressen van de Haagse Joden; de cartotheek werd met hulp van de Haagse Joodse Raad up-to-date gehouden. Maar als agentschap van het Berlijnse Judenreferat IV-B-4 had het tevens een landelijke functie: hier werden de door Eichmann c.s. in Berlijn verlangde transporten naar de Poolse vernietigingskampen samengesteld en taakstellend over het land verdeeld.

Hoewel de uitvoering was opgedragen aan de Sicherheitspolizei was er ook ruimte voor elementait politiek toezicht: Sturmbannführer Willi Zöpf, het hoofd van het Nederlandse agentschap van het Berlijnse IV-B-4, was de liaison met Eichmann c.s. en hield tevens een oogje in het zeil voor Seyss-Inquart die vooral in de eerste helft van de bezetting gevoelig was voor mogelijke onrust bij de bevolking. Wellicht verklaart dit de aanwezigheid van Zöpf bij de ontruiming van 'Het Apeldoornse Bos'; een ontruiming die overigens door Aus der Fünten werd voorbereid en ter plekke geregisseerd.

Zöpf had in de Jodenvervolging een machtsfactor kunnen zijn maar hij had die behoefte niet en wilde vooral graag met rust gelaten worden. Hij was voortdurend op reis en liet veel over aan zijn secretaresse Gertrud Slottke; de beruchte Franz Fischer in Windekind kreeg nagenoeg carte-blanche voor het werk van de Sicherheitspolizei rond de 'ordelijke' deportatie van de Haagse Joden en de opsporing van ondergedoken Joden en hun helpers. Zijn specialiteit was het 'U-boot Spiel' waarbij de slachtoffers in een badkuip langdurig onder water werden gehouden om bekentenissen of inlichtingen af te dwingen.

Voor zover bekend is er nooit een samenhangende studie gemaakt van wat zich tijdens de bezettingsjaren in het Windekind-complex afspeelde . Vast staat dat de aandacht van de Sicherheitspolizei voor de Jodenvervolging vanaf 1943 verminderde. IV-B-4 verhuisde begin 1943 naar de Haagse Mesdagstraat 52 en medio 1944 naar Arnhem waar Fischer weer met zijn U-boot Spiel werd gesignaleerd. Gaandeweg werd de nadruk van de Sicherheitspolizei verlegd naar het opsporen en vervolgen van verzetstrijders. Het verspreide materiaal bevindt zich in talloze geschriften en in verslagen van verhoren en rechtszittingen uit de periode van de Bijzondere Rechtspleging na de oorlog. Gemakkelijker leesbaar en toegankelijker zijn Weinreb's  zeer uitvoerige sfeerbeschrijvingen in zijn memoires getiteld 'Collaboratie en Verzet' (1969), doorzoekbaar op internet (bijv. zoeken naar Windekind, binnen het domein hebreeuwseacademie.nl, levert meer dan 60 treffers). Weinreb schreef zijn memoires bijna 25 jaar na de gebeurtenissen, mede in een poging zijn omstreden optreden tijdens de bezettingsjaren op te poetsen; deze omstandigheden moeten in aanmerking genomen worden om de betrouwbaarheid in concrete gevallen kritisch tegen het licht te houden, waar mogelijk aan de hand van onafhankelijke bronnen.

 

Het Wittebrugpark in de Vesting.

Deze kaart is gemaakt op basis van HGA-KP-002. Het Wittebrugpark (zie ook hier) is door 'uitlichting' gemarkeerd. De kaart dateert uit 1954 en is representatief voor de situatie kort na het herstel van de Witte Brug en de Cremerbrug. De blauwe stippen zijn Duitse bunkers die nog steeds (al dan niet onder de grond) aanwezig zijn; zie elders op deze website het artikel Bunkers in een villawijk.
 

Na de slag om Stalingrad rond de jaarwisseling 1942/1943 werd Duitsland in de verdediging gedrongen. Voor de Atlantische kust betekende dit een nadere uitwerking van een al eerder ingezette strategie. De kustverdediging kreeg gestalte in de Atlantik Wall die zich uitstrekte van het zuiden van Frankrijk tot het Noorden van Noorwegen. De burgerbevolking moest vanaf eind 1942 uit dit gebied vertrekken.

De situatie in het Wittebrugpark was een afgeleide van de verdedigingswerken die in en rond Scheveningen werden gebouwd en die op hun beurt onderdeel waren van de Atlantik Wall, zoals elders op deze website is beschreven. Hoewel (ook op deze website) meestal wordt gesproken over de Vesting Scheveningen  is dit wel wat kort door de bocht. In werkelijkheid ging het, zeker in eerste aanleg, om twee vestingen, te weten Stützpunkt Scheveningen en Stützpunkt Clingendael; samen vormden zij de Stützpunktgruppe Scheveningen/Clingendael

De kustverdediging was uiteraard een taak van de Wehrmacht maar op persoonlijk initiatief van Seyss-Inquart werd deze taak uitgebreid met de bescherming van zijn residentie, Clingendael. Dit initiatief had verstrekkende gevolgen, o.a. een tankgracht door het Haagse Bos, de inrichting van een verdedigingszone vanaf de Cremerbrug tot aan het Malieveld en de evacuatie van de bewoners van het Benoordenhout. Zonder Seyss-Inquart's initiatief zou het Wittebrugpark waarschijnlijk geheel of gedeeltelijk buiten het Sperrgebiet van de vesting zijn gebleven. De beide Stützpunkte hadden, althans in hun ontwerp, een wezenlijk verschillende missie: 'Scheveningen' was ontworpen voor de verdediging tegen een aanval uit zee; 'Clingendael' moest weerstand kunnen bieden tegen een aanval over land waarbij vooral gedacht werd aan luchtlandingen. De ontwikkeling van Stützpunkt Scheveningen werd voor de Wehrmacht verzorgd door de Organisation Todt, de aannemer van de Wehrmacht; het werk aan Stützpunkt Clingendael stond aanvankelijk onder leiding van de SS. Om militaire redenen moesten de beide vestingen natuurlijk onder één geïntegreerd commando komen; na enig touwtrekken tussen Seyss-Inquart, Himmler en de Wehrmacht werd dit toevertrouwd aan de commandant van het SS detachement dat Clingendael moest beschermen. Deze, SS Oberführer Erwin Tzschoppe en zijn Verteidigungsstab vestigden zich in het Wittebrugpark. Tzschoppe's kantoor bevond zich in Nieuwe Parklaan 81 (deze villa maakte rond 1974 plaats voor het appartementengebouw 's-Gravenhof), maar hij kon zich in geval van daadwerkelijke gevechten terugtrekken in zijn commandobunker aan de overkant van de Badhuisweg (bunker met nummer 3 op bovenstaande kaart; deze bunker is in 2008 ontsloten en trok tijdens twee dagen van openstelling ca. 4000 bezoekers).

 

1944, 'asperges', bij het einde van het Soldatenpad ter hoogte van de losplaats bij de Witte Brug, die in 1943 door de Duitse bezetters was afgebroken. Het Soldatenpad was ooit een eenvoudig zandpad maar werd vervangen door de 'asperges' waarvan de zware fundering na de bevrijding op het Soldatenpad achterbleef. De asperges waren een onderdeel van de tankversperring die de vesting Scheveningen moest beschermen tegen een geallieerde aanval.

Onderdeel van de tankgracht waren de Waterpartij en het Kanaal. Het Soldatenpad, langs het Kanaal tussen de Witte Brug en de Cremerbrug, werd versterkt met betonnen 'asperges'; de beide bruggen werden gesloopt. Zo ook de Kanaalvilla die ruimte moest maken voor het schootsveld van het geschut dat was opgesteld in een bunkercomplex op de plaats van het huidige Europol aan de Raamweg ter hoogte van het Hubertusviaduct. Ook het natuurlijke duinlandschap moest het ontgelden: de Kogelberg, bij de Cremerbrug, met 'de 72 trapjes' naar het uitzichtplatform op de top, werd ca. 5 meter verlaagd. Het uitzichtplatform is verdwenen.

Als gevolg van deze maatregelen kwam het Wittebrugpark te liggen in het Sperrgebiet van de Vesting Scheveningen; de bewoners moesten vanaf eind 1942 vertrekken voor zover hun aanwezigheid niet noodzakelijk was. De meeste bewoners zullen dit bevel hebben opgevolgd; anderen bleven zich, met wisselend succes, halsstarrig verzetten, al dan niet met een beroep op de noodzaak van hun aanwezigheid. Nog weer anderen wachtten niet op het bevel en vertrokken 'vrijwillig', geïmponeerd door de oorlogsdreiging. De grens van het Sperrgebiet werd bewaakt; voor grensoverschrijding was het bezit van een Ausweis vereist. Om de vesting te kunnen betreden moest gebruik gemaakt worden van de toegangen die op zeven plaatsen waren ingericht; één van die toegangen bevond zich bij de Witte Brug.

 

1943: de Nieuwe Parklaan wordt bezet.

Achter de voorgevels van de ontruimde villa's aan de Nieuwe Parklaan (maar ook elders in het Wittebrugpark) was de bezetter volop aanwezig, Een groot aantal panden in het Sperrgebiet werd gevorderd en in gebruik genomen door de Wehrmacht, de Sicherheitspolizei en andere organen van de bezetter. Daaronder de vestingcommandant SS Oberführer Erwin Tzschoppe met zijn Verteidigungsstab die vanaf de eerste helft van 1943 op verscheidene plaatsen aan de Nieuwe Parklaan en elders (o.a. Dennehove aan de Badhuisweg) in het Wittebrugpark acte de présence gaf. Onderstaande weergave van de situatie langs de Nieuwe Parklaan is ontleend aan een onderzoek door de Haagse Bunkerploeg in de archieven van Haagse nutsbedrijven.

 

Duitse instanties binnen het Wittebrugpark
Panden met vetgedrukte huisnummers zijn in 2008 nog aanwezig

Nieuwe Parklaan, even huisnummers

    '42-'45   2008
Sturmkompanie Nordwest 4    

2-42B

 
Residence

Witte

Brug

Sturmkompanie Nordwest 6
Sturmkompanie Nordwest 8
Verteidigungsstab 10 44  
Verteidigungsstab 12 46  
Deutsche Rote Kreuz 14 48 Novalis
Duitse Weermacht 16 50  
Verteidigungsstab 20 54  
Duitse Weermacht 22 56  
N.S.D.A.P. 26 58  Rudolf Steinerkliniek  
hoofdgebouw
Organisation Todt 28 58 Rudolf Steinerkliniek
'beddenhuis'
Organisation Todt 30
Verteidigungsstab 60 60 Weide Huis
Organisation Todt 62 62  
Organisation Todt 64 64  
Bezirksverwaltung 66 66  
Verteidigungsstab 70 70  
Sicherheitspolizei 72 72  
Sicherheitspolizei 74 74  
Sicherheitspolizei 76 76 Windekind
 

Nieuwe Parklaan, oneven huisnummers

  '42-'45 2007
Feldpostnr. 07447 7 7  
SS Alarm Kompanie 9 9 Ambassade Oman
Sturmkompanie Nordwest 11 11  
Sturmkompanie Nordwest 13 13  
Deutsche Rote Kreuz 15 15 'Aruba'
Deutsche Rote Kreuz 17 17 'Putruwiel'
Deutsche Rote Kreuz 21 21 Ambassade Kenia
Duitse Weermacht 61   'Parckhove'
ingang Van Lennepweg
Duitse Weermacht 65 65  
Duitse Weermacht 73 73  
Marine Standort Verwaltung 75 75  
Verteidigungsstab 77 79-81 'Bellevue'
Verteidigungsstab 81   's-Gravenhof
(ingang Badhuisweg 121-133A)
Verteidigungsstab 83  

Het vorderen van de panden in het Wittebrugpark gebeurde waarschijnlijk niet 'en bloc' maar naar behoefte en soms als zich een geschikte gelegenheid voordeed waarbij de op handen zijnde ontruimingen en evacuatie elders in Scheveningen een passend kader vormden. Tussen ontruiming, vordering en evacuatie bestond echter geen eenduidig verband; In mei 1943, toen de evacuatie tijdelijk tot stilstand leek gekomen, werden de bewoners van Dennehove aan de Badhuisweg gesommeerd hun woning te ontruimen om plaats te maken voor de staf van de vestingcommandant. Het is waarschijnlijk dat ook de vordering van andere panden in het Wittebrugpark omstreeks die tijd zijn beslag kreeg. En al ruim een jaar eerder, in begin 1942, maakte de Sicherheitspolizei zich al meester van 'Windekind' op een moment dat van evacuatie nog geen sprake was.

Misschien was 'Windekind' een gerichte vordering waarbij de afwezigheid van de Nederlandse eigenaar, Van 't Sant, een rol speelde. Van 't Sant (1883-1966) was particulier secretaris van Koningin Wilhelmina; hij vergezelde haar toen zij op 13 mei 1940 uitweek naar Londen. Over de omstreden Van 't Sant is zeer uitvoerig geschreven door L. de Jong in 'Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog', deel 9, pp 811-836. Omdat ook de naastliggende panden Nieuwe Parklaan 72 en 74 al in 1942 werden gebruikt door de Sicherheitspolizei ligt het voor de hand te veronderstellen dat ook de vordering van deze panden geen verband hield met de massale evacuatie van de vesting Scheveningen.

De nieuwe bewoners van de gevorderde panden zullen niets hebben gedaan aan het onderhoud. Niet-gevorderde, maar als gevolg van de evacuatie leegstaande, panden waren er meestal nog slechter aan toe: de bezetters en de burgerbevolking zochten, met name in de winter '44-'45, overal naar hout om de kachels te stoken. Vooral kastplanken, lambriseringen, meubels en (parket)vloeren waren in trek. Na de oorlog kwam de terugkeer van de verdreven bewoners soms pas op gang als de schade was vastgesteld en er uitzicht bestond op vergoeding. Dit gold ook het herstel van de bruggen en wat daarmee samenhing; tot in 1956 werd er tussen Gemeente en Rijk nog gekibbeld over de verdeling van de kosten van de beplanting.

 

De evacuatie.

In principe wilde de Wehrmacht de handen vrij hebben voor de verdediging tegen een geallieerde invasie. Burgers zouden in zo'n geval voor de voeten lopen of zelfs de vijand kunnen helpen. Ze moesten dus het gebied verlaten nadat de verdedigingswerken gereed waren of zoveel eerder als dat voor de aanleg nodig was. Aan de andere kant was de aanwezigheid van een beperkt aantal 'lebensnotwendige' burgers wenselijk om het leven in het Sperrgebiet aan de gang te houden. Deze spagaat heeft de dynamiek van de maatregelen rond de evacuatie van de burgerbevolking van eind 1942 tot eind 1944 grotendeels bepaald.

De aanvankelijke visie was dat de lebensnotwendige burgers bij elkaar zouden worden gehuisvest in enkele grote gebouwen binnen de vesting maar dat hun verwanten buiten de vesting moesten wonen. Ook andere wereldvreemde voorstellen circuleerden maar werden door de werkelijkheid veelal snel achterhaald. Het gevolg van e.e.a. was dat aangekondigde maatregelen nogal eens werden gewijzigd of dat deadlines werden verschoven. Dit bevorderde een cultuur van tegenwerking waarin de gemeentelijke uitvoeringsdiensten ruimte zochten en kregen om de Duitse bevelen te amenderen of af te zwakken. Creatief individueel verzet leidde er niet zelden toe dat ontruimingsbevelen werden genegeerd; als een ontruimingsbevel niet werd gevolgd door een vordering schoot de controle wel eens tekort. Bart van der Boom (1995) schat dat ca. 2000 bewoners van de vesting daar illegaal verbleven. Het ging daarbij niet alleen om oorspronkelijke bewoners; ook onderduikers maakten graag gebruik van de vele leegstaande panden.

Deze relativeringen laten onverlet dat de evacuatie die eind 1942 werd aangekondigd een grootschalig menselijk drama werd. Voorafgegaan door enkele beperkte evacuaties die de bevolking vlak achter het strand troffen kwam de eigenlijke evacuatie in een tweetal golven op gang. De grote golf, betrekking hebbend op ca. 100.000 bewoners voltrok zich in de eerste maanden van 1943 in het Scheveningse deel van de vesting. De tweede golf had betrekking op het Clingendaelse deel van de vesting: eind 1943 moesten ca. 14.000 bewoners van het Benoordenhout hun huizen verlaten.

Na de geallieerde invasie in Normandië maar in het bijzonder na het uitbreken van de Spoorwegstaking op 17 december 1944 was het gedaan met de verdere voltooiing van het evacuatie-project. Op beperkte schaal mochten eerder geëvacueerden zelfs naar hun woning terugkeren terwijl anderen die de vesting alsnog wilden verlaten daarvoor geen toestemming kregen.

 

Het Wittebrugpark in de bezettingstijd: nader bekeken.

Hoe past het Wittebrugpark binnen dit algemene patroon? M.a.w., hoe erg was de bezettingstijd binnen het kleine gebied van het Wittebrugpark?

Het Wittebrugpark lag geheel binnen de vesting maar het is waarschijnlijk dat het wegsturen van de bewoners hier niet uitsluitend werd ingegeven door militaire strategische belangen. Het Wittebrugpark lag betrekkelijk veilig in het achterland van de Hauptkampflinie: de ondiepe kaalgeslagen strook achter het strand waar een geallieerde invasie in eerste instantie moest worden afgeslagen. De panden in het Wittebrugpark werden daardoor aantrekkelijke prooien voor vordering ten behoeve van de huisvesting van Duitse stafafdelingen. Zij hadden hier weinig van de oorlog te duchten en hun oorlog ging, met de capitulatie op 6 mei 1945, als een nachtkaars uit. Net als voor het bezette gebied van west-Nederland gold ook voor het Wittebrugpark dat er geen grondgevechten zijn gevoerd. Wel werden er, tot vlak bij het Wittebrugpark (o.a. rond de Waterpartij), tot maart 1945 V2's afgevuurd op Londen en werd er in dat verband door de geallieerden gebombardeerd (o.a. in de omgeving van het Promenade Hotel en de HTM-remise aan de Zwolsestraat) maar al weer: niet binnen het Wittebrugpark.

Deze suggestie van rust gaat voorbij aan de prominente aanwezigheid en activiteit van de Sicherheitsdienst en de SD in het Windekindcomplex waar de Jodenvervolging voor geheel Den Haag werd gecoördineerd. 'Windekind' is daarmee een blijvende herinnering geworden aan de meest dramatische periode uit de geschiedenis van het Wittebrugpark. De meeste bewoners werden van huis en haard verdreven. Zij die bleven kregen te maken met de hongerwinter. Vanaf november 1944 werd geen electriciteit meer geleverd aan particulieren. Voor een aanvulling op de volstrekt onvoldoende voedselrantsoenen konden welgestelden terecht op de zwarte markt die onbereikbaar was voor minder gesitueerden. Vanwege het hoge gemiddelde welstandsniveau waren de (overgebleven) bewoners van het Wittebrugpark er beter aan toe dan de arbeidersbevolking elders.

Deze sociale tweedeling manifesteerde zich ook rond de evacuatie. De welgestelde bevolking van het Wittebrugpark zal het lot veelal in eigen hand hebben kunnen nemen en op eigen gelegenheid zijn vertrokken naar door henzelf uitgezochte bestemmingen. De bewoners uit de armere delen van Scheveningen zullen, meer dan de Wittebrugparkers, zijn aangewezen geweest op elementair onderdak dat door de gemeente en de kerken werd georganiseerd, o.a. in Aalten en Winterswijk. De overhaaste maar grotendeels ordelijk verlopen evacuatie van de bevolking uit de vesting was een ongekende ingreep in het leven van de burgerbevolking maar is toch niet te vergelijken met de evacuatie in september 1944 van Arnhem die het karakter had van een dramatische vlucht uit een chaotisch en gevaarlijk oorlogsgebied.

Als we nu door het welvarende Wittebrugpark wandelen en ons afvragen wat hier tijdens de bezettingsjaren is gebeurd dan ondersteunt de omgeving de volgende herinneringen:
- de jodenvervolging, geleid door de SD in het (ook nu, 2009, nog bestaande) Windekind-complex
- het wegsturen van de bewoners en de vordering van hun huizen
- de aangerichte vernielingen (Witte Brug, Cremerbrug en Kanaalvilla werden gesloopt).

Wandelen we iets verder dan wordt dit beeld echter aanzienlijk feller ingekleurd:
- in de cellenbarakken van de Scheveningse gevangenis hebben 650 ter dood gebrachte verzetsstrijders gevangen gezeten.
- Op de Vlakte van Waalsdorp werden meer dan 200 doodvonnissen voltrokken.
- Waarschijnlijk 1300 van de 1900 Joden van het Belgisch Park kwamen om in de vernietigingskampen.